DeBijbelLezer.nl

Het verhaal door een startende bijbellezer.

In Matteüs zeventien en achttien wordt iets geschreven wat eerder ook geschreven is in Matteüs. We zien in Matteüs 17 (Mat. 17:24-28Mat. 17:24-28
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

Onderricht aan Petrus en de leerlingen 24 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’ 25 Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’ Toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: ‘Wat denk je, Simon? Van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’ 26 Op zijn antwoord: ‘Van anderen,’ zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. 27 Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; ga naar het meer, werp daar je hengel uit en haal de vis die het eerst bijt van de haak. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. Neem dat mee en betaal hun voor ons allebei.’

) dat we er voor moeten waken dat we geen anderen op het verkeerde pad brengen. Want diegene die één van de volgers van Jezus van het goede pad brengt kan maar beter met een molensteen om zijn nek in de zee geworpen worden. Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, maar wee de mensen die de valstrik zetten. Oftewel, het feit dat je af en toe struikelt is niet zo erg. Het feit dat iemand je expres laat struikelen is verschrikkelijk en zou bestraft moeten worden. verder gaan met lezen…

Het stuk tekst wat vandaag gelezen is zal veel mensen bekend voorkomen(Mat. 17:14-23Mat. 17:14-23
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

Gebrek aan geloof 14 Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel 15 en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. 16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’ 17 Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’ 18 Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen. 19 Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ 20 Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’ Noot [] Andere handschriften hebben een extra vers: ‘[21] Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden uitgedreven.’ 21  22 Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. 23 Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd.

).

Jezus en de discipelen kwamen van de berg af en gingen weer naar de mensen. Daar kwam een man bij hen die op zijn knieën viel. Hij zei dat zijn zoon erg ziek was, hij had maanziekte, en dat hij soms in het water en soms in het vuur viel. De man had zijn zoon al bij de discipelen gebracht maar die konden hem niet genezen. Waarop Jezus ongezouten zijn mening gaf en zei dat de leerlingen een klein geloof hadden. Sterker nog, hij zei dat ze een ongelovig en dwars volk waren.
Jezus gebood de man om zijn zoon bij hem te brengen. De demon werd op strenge wijze toegesproken door Jezus en deze verdween. Toen de discipelen dit zagen vroegen ze aan Hem waarom zij dat niet konden. Het antwoord was eigenlijk best eenvoudig: “Vanwege jullie gebrek aan geloof.” Hij verzekerde hen dat als ze geloof hadden als een mosterdzaadje dat ze dan bergen konden verzetten. De bergen zouden zelfs naar hen luisteren. verder gaan met lezen…

Zes dagen na het vorige hoofdstuk ging Jezus een berg op met Petrus, Jakobus en z’n broer Johannes. Ze gingen met z’n vieren. Boven op de berg aangekomen veranderde Jezus van gedaante, hij was geen mens meer. Jezus was een verschijning met een stralend gezicht en hele witte kleren. Toen Jezus deze gedaante had verschenen ook Elia en Mozes. Ze waren met z’n drieën in gesprek leek het wel.
Petrus zei dat het goed was dat zij, de drie discipelen er waren. Hij wilde wel drie tenten neerzetten voor Elia, Mozes en Jezus. Petrus wilde nog meer zeggen maar kreeg de kans niet. Er gleed een stralende wolk over hun heen. Uit deze wolk kwam een stem: “Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar Hem.” De discipelen doken ineen en verborgen hun gezichten, ze waren geschrokken. Daarna kwam de verschijning van Jezus naar hen toe, raakte hen aan en zei dat ze op moesten staan en niet bang moesten zijn. De discipelen kwamen weer voorzichtig tevoorschijn en ze zagen niemand meer. Geen Mozes en geen Elia. Het was alleen Jezus nog, en niet in een verschijning maar als mens van vlees en bloed. (Mat. 17:1-13Mat. 17:1-13
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

Een stem uit de hemel 17 1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. 2 Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3 Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. 4 Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als u wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’ 5 Hij was nog niet uitgesproken, of de schaduw van een stralende wolk gleed over hen heen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!’ 6 Toen de leerlingen dit hoorden, wierpen ze zich neer en verborgen uit angst hun gezicht. 7 Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, jullie hoeven niet bang te zijn.’ 8 Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen. 9 Toen ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’ 10 De leerlingen vroegen hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat Elia eerst moet komen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Elia zou inderdaad komen en alles herstellen. 12 Maar ik zeg jullie dat Elia al gekomen is, ze hebben hem alleen niet herkend, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.’ 13 Toen begrepen de leerlingen dat hij op Johannes de Doper doelde.

) verder gaan met lezen…

Jeetje, de titel is eigenlijk best wel lastig. Het zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën. Daar zitten al 3 lastige woorden in, zoals je ziet zijn ze onderstreept, dat betekent dat als je met de muis over de woorden heen gaat dat je de betekenis zult zien. Snel opgelost voor moeilijke woorden.

In Matteüs 16 (Mat. 16:1-18Mat. 16:1-18
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

De zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën 16 1 De farizeeën en de sadduceeën kwamen hem op de proef stellen met de vraag hun een teken uit de hemel te tonen. 2 Hij gaf hun daarop dit antwoord: ‘Wanneer de avond valt, zegt u: “Morgen mooi weer, want de hemel kleurt rood.” 3 En ’s ochtends: “Storm op til, want het rood aan de hemel is dreigend.” De aanblik van de hemel weet u wel te duiden, en de tekenen van de tijd niet? 4 Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona.’ Zo liet hij hen staan en vertrok. 5 De leerlingen voeren naar de overkant, maar waren vergeten brood mee te nemen. 6 Dus toen Jezus tegen hen zei: ‘Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën,’ 7 begonnen ze er met elkaar over te praten dat ze geen brood hadden meegenomen. 8 Jezus merkte het en zei: ‘Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? 9 Begrijpen jullie het dan nog niet, en herinneren jullie je ook de vijf broden voor de vijfduizend niet, en hoeveel manden jullie weer ophaalden? 10 En ook niet de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden jullie toen weer ophaalden? 11 Hoe is het mogelijk dat jullie niet begrijpen dat ik het niet over brood had? Wees op je hoede voor de zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën!’ 12 Toen begrepen ze dat hij niet bedoelde dat ze op hun hoede moesten zijn voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de farizeeën en de sadduceeën. Wie is Jezus? 13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ 14 Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ 15 Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ 16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. 17 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. 18 En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, Noot [] jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen – In het Grieks is er een woordspel tussen het woord petra, ‘steen’ of ‘rotsblok’, en de naam Petrus. en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen.

) werd Jezus op de proef gesteld door de Farizeeën en de Sadduceeën. Ze wilden een teken uit de hemel ontvangen. Jezus kon hen melden dat dat hetgeen ze ‘s avonds zeiden, en wat ze in de ochtend zeiden niet gelijk was aan elkaar. Als de lucht in de avond rood was dan zou de volgende dag mooi zijn. Als in de ochtend de lucht rood was dan zeiden ze dat er slecht weer op komst was. Dit werd ze nogal kwalijk genomen. Hij sprak van een verdorven generatie. Ze verlangen naar een teken, maar zullen geen ander teken krijgen dan dat van Jona. Hierna vertrok hij.

Jezus ging met de discipelen in de boot naar de andere kant van het water, of het nou een meer of een rivier was staat er niet bij. De discipelen begonnen ineens over brood wat ze vergeten waren mee te nemen. Jezus kon hen zeggen dat ze op hun hoede moesten zijn voor het zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën. Hierdoor begonnen de discipelen weer te praten over het brood wat ze niet mee hadden genomen. Jezus begon zich toch een klein beetje te ergeren en zei nog eens duidelijk: “Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? ” Hierna refereert Hij aan de vorige twee gebeurtenissen. verder gaan met lezen…

In het tweede stuk van Matteüs 15 (Mat. 15:21-39Mat. 15:21-39
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

Naar Tyrus en Sidon 21 En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. 29 Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging hij de berg op; daar ging hij zitten. 30 Er kwamen grote mensenmassa’s op hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen. 31 De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van Israël. 32 Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.’ 33 De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’ 34 Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven, en wat visjes.’ 35 Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. 36 Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. 37 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol. 38 Er hadden ongeveer vierduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. 39 Nadat hij de mensen had weggestuurd, stapte hij in de boot en voer naar de omgeving van Magadan.

) doet Jezus weer wat hij eerder ook deed. Alleen de feiten zijn iets veranderd. Jezus ging op weg naar het gebied van Tyrus en Sidon. Opeens hoorden ze een vrouw roepen. Het was een vrouw uit Kanaän. De vrouw riep: “Heb medelijden met mij Heer! Mijn dochter wordt gekweld door een demon.” Jezus keek niet naar haar op of om en zei niets. De discipelen zeiden dat Hij haar weg moest sturen omdat ze anders zou blijven roepen. In eerste instantie zegt Jezus dat hij alleen is gezonden voor de verloren schapen van het volk van Israël. Ondertussen was de vrouw dichterbij gekomen en begon weer te roepen: “Help mij!” En dan zegt Jezus iets wat ik zelf niet zo goed kan plaatsen. “Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.” (?) De vrouw antwoordde: “Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.” Doordat de vrouw dit zei wist Jezus dat haar geloof groot was. “Wat u verlangt zal ook gebeuren.” En toen Jezus dit zei was haar dochter genezen.

Jezus ging weer verder. Bij het meer van Galilea beklom hij een berg waar hij op ging zitten. Ondertussen kwamen er veel mensen op hem af. Ze hadden blinden, lammen, kreupelen, doven, stommen en vele anderen meegenomen. Jezus was de minste niet en hij genas alles wat hem voor de voeten gebracht werd. Best een wonder(dokter) als je ‘t mij vraagt. Toen de mensen zagen wat er gebeurde gingen ze de God van Israël eren. verder gaan met lezen…

Matteüs 15 (Mat. 15:1-20Mat. 15:1-20
Dutch: De Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2007) - NBV

Rein en onrein 15 1 Toen kwamen er vanuit Jeruzalem farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen hem: 2 ‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’ 3 Hij gaf hun ten antwoord: ‘En waarom overtreedt u het gebod van God, alleen om uw eigen traditie in stand te houden? 4 Want God heeft gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.” 5 Maar u leert: “Wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave,’ 6 die hoeft zijn ouders geen eerbied te tonen.” Zo ontkracht u het woord van God uit eerbied voor uw eigen traditie. 7 Huichelaars, wat is Jesaja’s profetie toch toepasselijk op u: 8 “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; 9 tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.”’ 10 Nadat hij de mensen bij zich geroepen had, zei hij tegen hen: ‘Luister en kom tot inzicht. 11 Niet wat de mond in gaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uit komt, dat maakt een mens onrein.’ 12 Daarop kwamen de leerlingen bij hem en zeiden: ‘Weet u dat de farizeeën uw uitspraak gehoord hebben en dat ze die stuitend vinden?’ 13 Hij antwoordde: ‘Elke plant die niet door mijn hemelse Vader is geplant, zal met wortel en al worden uitgerukt. 14 Laat ze toch, die blinde blindengeleiders! Als de ene blinde de andere leidt, vallen ze samen in een kuil.’ 15 Toen stelde Petrus de vraag: ‘Wilt u ons die uitspraak uitleggen?’ 16 Jezus zei: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog steeds niet? 17 Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond in gaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? 18 Wat daarentegen de mond uit gaat komt uit het hart, en die dingen maken een mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20 Dat maakt een mens onrein, niet eten met ongewassen handen.’

) legt ons uit dat het eten met ongewassen handen niet onrein is. Hoe komt men daar zo bij? Wel, Jezus werd na de vijf broden en twee vissen benaderd door Farizeeën en schriftgeleerden. Zij beweerden dat Jezus zich niet hield aan de tradities van hun voorouders. De mensen wasten hun handen namelijk niet voordat ze het brood gingen eten. Waarop Jezus iets zei over het gebod van God. De Farizeeën hielden zich daar niet aan, ze maakten hun eigen geboden. Zo ook over het eerbied tonen aan uw vader en moeder. Jezus haalt er een profetie van Jesaja bij. Daarin wordt gezegd dat het volk Hem eert met hun lippen en hun hart is ver van Hem. Tevergeefs eren ze Hem omdat ze de voorschriften van de mensen verkondigen.

Na dit verhaal riep Jezus de mensen bij hem. Hij zei hen dat niet dat wat door de mond naar binnen gaat is onrein, maar dat wat door de mond naar buiten gaat maakt de mens onrein. De discipelen kwamen naar Jezus toe met de mededeling dat de mensen dit nogal stuitend vonden, ze schrokken er zowat van. Jezus verduidelijkt het een en ander met een gelijkenis. Als laatste zegt hij dan nog dit: “Alles wat door de mond naar binnen gaat, gaat door de maag en vergaat uiteindelijk in de beerput. Alles wat door de mond naar buiten gaat komt uit het hart en die dingen maken de mens onrein.” De dingen waar Jezus hier over spreekt zijn niet de minste dingen die uit onze monden komen: boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. verder gaan met lezen…