1.6.6 Ons karakter

Ons karakter
Ons karakter

Ons karakter van nu, is bepaald door de houding van Adam en Eva toen.

 

 

Eva

Eva reageert uit haar vlees op de vraag van satan, zonder de geestelijke eenheid met Adam te zoeken. We zien beschreven wat er dan in Eva gebeurt, Gen.3:1-7:

  1. Eva is bevattelijk voor de insinuerende vraag die Gods Woord verdraait en gaat er op in.
    • Satan: Is het inderdaad zo dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom mogen eten?
    • Eva: Van het fruit van alle bomen mogen we eten , alleen niet van het fruit van de boom in het midden van de de hof. [Eva gaat vervolgens uitleggen wat God gezegd heeft en doet er nog een schepje bovenop.] God heeft gezegd: Van die mogen jullie niet eten en jullie mogen hem niet aanraken opdat jullie niet sterven. [Eva geeft blijk zeer goed te weten wat God gezegd heeft en wat de gevolgen zijn. Daarom trekt zij het gebod nog wat strakker aan. Gewoon niet in de buurt komen!]
  2. Eva is desondanks bevattelijk voor de wending die satan geeft aan de woorden van God en accepteert dat het Woord van God niet juist zou zijn en maakt zelf een beoordeling van de boom.
    • Satan: Jullie zullen helemaal niet sterven, maar God weet dat op de dag dat je daarvan eet, jullie ogen geopend zullen worden, dan zullen als God blijken te zijn, kenners van goed en kwaad
    • Eva: kijkt naar de boom en vindt hem goed om te eten en een lust voor de ogen. 
  3. Eva is bevattelijk voor de verboden vrucht: de boom is begeerlijk om daardoor inzicht te krijgen zoals God.
  4. De begeerte om inzicht te krijgen zoals God, maakt dat Eva tot handelen overgaat en neemt van het fruit en eet. Ze voegt de daad bij de gedachte.
  5. En nu pas – bij de handeling – betrekt ze Adam en geeft het fruit ook aan hem.
Ons karakter

Welke grondhouding zien we bij Eva, die tot vandaag door het hele menselijk geslacht door in onze genen zit en ons karakter bepaalt:

  1. Oor hebben voor een ander geluid dan het geluid van God
  2. Zelf beoordelen wat goed is, tegen het gebod in
  3. On-verschilligheid (geen verschil maken tussen goed en kwaad)
  4. Begeerte
  5. Hoogmoed
  6. Ongehoorzaamheid
  7. Medepleger maken
Adam

Adam was bij haar en at, Gen.3:6b. Al die tijd had hij het gesprek van satan met Eva gevolgd en geluisterd, maar niets gezegd, niets gedaan. Hij ging er in mee. Geobsedeerd door Eva(30). In Gen.3:17 zegt God dat ook: “Omdat je naar je vrouw hebt geluisterd . . . . .”

Welke grondhouding zien we bij Adam, die tot vandaag door het hele menselijk geslacht door in onze genen zit en ons karakter bepaalt:

Ons karakter
Ons karakter
  1. Geen positie nemen (dus ook hij beoordeelt on-verschillig) 
  2. Het allemaal wel prima vinden (dus ook hij begeert hoogmoedig)
  3. Meegaan in het kwaad (dus ook hij handelt ongehoorzaam)

 

De zonde

Op welk moment treedt de zonde in?

  • Jakobus zegt: Iets is pas een verzoeking als jezelf iets begeerlijk vindt. Maar het wordt pas zonde als wordt toegegeven aan de begeerte en wordt overgegaan tot de handeling, Jak.1:14-15.
  • Jezus zegt: wie kijkt om te begeren, die heeft in zijn hart al de zonde gepleegd, Mat.5:28.
  • En Spreuken 18:12 zegt: Vóór de val is het hart van de mens hoogmoedig.

De daad is de feitelijke ongehoorzaamheid en overtreding van het gebod. Maar daaraan ligt ten grondslag de begeerte en de hoogmoed. En dat brengt on-verschilligheid: geen verschil willen maken tussen goed en kwaad. Kennis willen hebben van het goed en het kwaad is de onverschillige houding van: dat moet toch kunnen, dat maakt toch niet uit, ik doe er niemand kwaad mee. De hoogmoed op gelijke wijze als God te willen beoordelen wat wel en niet goed is. Jezelf tot God (willen) zijn.

En zo zijn we nu . . . . . dit is nu ons natuurlijk zondig karakter:

begerend – on-verschillig(31) – hoogmoedig – ongehoorzaam

We begeren iets. Daarom gaan we het goed praten. Vervolgens denken we wie doet ons wat en gaan over tot de daad.

Naar de volgende pagina.


Noten

(30) Adam ging zijn vlees achterna. Er is een grove uitdrukking voor wanneer een man verleid door een vrouw zelf de fout ingaat. Maar feitelijk is dat hier het geval.

(31) In de betekenis van geen verschil maken tussen goed en kwaad. Uitspraken die daarbij horen zijn: wat maakt dat nu uit? Dat moet toch kunnen?  Elk mens moet zelf kunnen uitmaken wat goed voor hem is.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Comment moderation is enabled. Your comment may take some time to appear.

Een wandeling door mijn gedachten over Bijbelse thema's