1.4.2 De zes scheppingsdagen


Je bent hier: Home » De oorsprong » 1.4 Het (her-)scheppen » 1.4.2 De zes scheppingsdagen

 

Herscheppen
de zes scheppingsdagen
de zes scheppingsdagen

Op de reeds bestaande aarde gaat God deze verwoeste aarde herinrichten.

Basis: Nadere inrichting:
1e dag Plaatst zijn licht 4e dag Maakt zon, maan en sterren
2e dag Maakt uitspansel 5e dag Schept vissen en vogels
3e dag Plaatst het droge 6e dag Maakt landdieren
3e dag Roept de flora 6e dag Schept de mens
Zes scheppingsdagen +

Dat het totaal van de schepping in zes dagen zou hebben plaatsgevonden is in tegenspraak met het feit dat op de eerste dag het licht werd gegeven en toch daarvoor de hemelen en de aarde waren geschapen. De verder omschreven scheppingsdagen veronderstellen ook een reeds aanwezige aarde.

Daarnaast zien we dat God nadat Hij op de zevende dag rustte, daarna verder gaat met inrichten. God neemt de geestelijke mens en vormt voor hem een lichaam van het stof van de aardbodem. Verder laat God daarna allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, Gen.2:7+9.

Met andere woorden: het totaal van scheppen en inrichten vond ook zowel voor als na de zes dagen van Genesis 1 plaats.

Dat de bijbel in Exodus zou vermelden dat de hemel en de aarde in zes dagen zijn geschapen, is onjuist omdat zowel in Exodus 20:11 als in 31:17 het werkwoord ‘maken’ staat. Dat gaat dus over de (her-) inrichting van de reeds geschapen hemel en aarde. Het staat er ook bij: de zee en al wat daar in is. Met ‘aarde’ wordt dus de landinrichting en met ‘hemel’ de luchtinrichting bedoeld. Het gaat hier niet over de schepping van het totale universum, maar over de hemel, aarde en zee; alles rond, op en in de aarde. Daarvan zegt ook Genesis 1 dat deze herschepping in zes dagen gebeurde(19a).

Deze zes dagen zijn derhalve voor een groot gedeelte herinrichting, herschepping van een eens bewoonbaar geschapen maar nu verwoeste aarde.

Naamgeving  = karakterisering

Opvallend is dat God alles een naam geeft behalve de flora en fauna. Later zegt God tegen de mens dat hij de dieren een naam mag gaan geven. Waarom niet genoemd de flora? De mens heeft ook de flora namen gegeven in de loop der tijd, maar wat betreft de dieren geeft God een speciale opdracht, geef ze een naam naar hun aard, typeer ze. Natuurlijk geldt ook voor de flora dat elke plant, bloem of boom uniek is, maar het zijn geen levende wezens zoals de dieren, die ‘karakter’ eigenschappen hebben. Het ging om de typering naar hun aard, de karakterisering, waarin de mens functioneerde naar het beeld en gelijkenis van God.

Gods Woord is daad, geen opdracht!

In deze zes dagen spreekt God onvoorwaardelijk. Hij spreekt en het is. Geen overleg met of opdracht aan wie dan ook. God schept. God is scheppend bezig. Zijn spreken zijn daden. Zijn gedachten werkelijkheid. Niet: de daad bij het woord voegend; zijn spreken is werkelijkheid. Hij sprak en het was. En nog steeds geldt: Hij spreekt en het is.

Behalve bij de mens. Dan staat er: “Laten Wij mensen maken”. Een rustmoment, alles overziende, een moment van overdenken, een voornemen en overleg. God overlegt dan hoe die mens zou moeten worden: “naar Zijn beeld, als Zijn gelijkenis(20) en hij moet kunnen heersen over al het geschapene”. En dan is het: zo gezegd, zo gedaan. “En zo schiep God de mens naar zijn beeld: mannelijk en vrouwelijk”(!!!) Het vrouwelijke en mannelijke, dat is dus naar het beeld van God! En het gelijkenis zijn van God is het kunnen heersen.

– – – – – –

Wanneer God de vissen, de vogels en de mens zegent met: weest vruchtbaar wordt talrijk en vervult de aarde, dan is dat geen opdracht, maar een scheppingsdaad. Dieren kunnen ook geen opdracht krijgen om die te gaan uitvoeren.

God legt de vruchtbaarheid en de mogelijkheid tot voortplanten scheppend in zijn creaties.

Waarom niet bij de landdieren? Het antwoord is impliciet reeds gegeven, deze waren ooit al geschapen en werden nu opnieuw door God levend gemaakt. De vissen en de vogels werden nu geschapen.

Naar de volgende pagina waar we een samenvatting maken van het tot nu toe besprokene.


Noten:

(19a) Zes dagen van 24 hedendaagse uren. Mozes schrijft ongeveer 2500 jaar na dato na elke  dag, van dag één tot en met dag zes: “Het was avond en het was ochtend, de eerste / tweede / derde / vierde / vijfde / zesde dag.” Wanneer daar sprake zou zijn geweest van periodes, dan had Mozes dat zeker anders geformuleerd. Hij leefde in dagen van 24 uur en kende ook niet anders. Elke afwijking daarvan had hij zeker vermeld. En dat geldt voor alle zes dagen, omdat hij voor elke dag precies dezelfde woorden gebruikt: “Het was avond en het was morgen, de zoveelste dag.” Deze uitdrukking suggereert overigens ook dat een nieuwe dag pas op de morgen begon. Dit in tegenstelling zoals wij dagen indelen, maar ook in afwijking van de joodse wijze die een nieuwe dag na de avond laten beginnen. Het sluit wel aan bij onze biologische beleving: bij het ’s ochtends wakker worden, een nieuwe dag!

(20) Afgietsel. Gelijkenis betekent dus niet “gelijk aan”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Comment moderation is enabled. Your comment may take some time to appear.

Een wandeling door mijn gedachten over Bijbelse thema's