Tagarchief: Schepping en wetenschap

1.8 Met of zonder God. Thats the choice.

Epiloog

We zijn deze artikelen begonnen met het thema: “Met of zonder God, that’s the question”. En door op te merken dat niet het “hoe en wanneer” uiteindelijk, hoewel interessant, een antwoord op zingevingsvragen geven, maar het waarom, wat en waartoe. Dus is de epiloog, met of zonder God. Thats the choice.

 De keuze met of zonder God, is alles bepalend.

 

Epiloog, met of zonder God. Thats the choice.
Met of zonder God. Thats the choice.

 

  1.  de zin van het beginnen van het bestaan (waarom),
  2. de zin van de inhoud van het bestaan (wat),
  3. de zin van het doel van het bestaan (waartoe).

 

ad.1 God begon zijn schepping waardoor Hij zijn oneindige creativiteit uitte. Hij wilde daarvan -in een relatie van wederkerigheid tot zijn schepsel- volledig van genieten. Daardoor kon ook het schepsel volledig  genieten.

Steeds echter gooit het schepsel roet in het eten. Het kan de verleiding niet weerstaan gelijk te willen zijn aan een zo Almachtige en oneindige Creator.

 

ad.2 God gaf alle voorwaarden mee voor een volmaakt gelukkig leven in de schepping.

Steeds echter gooit het schepsel roet in het eten. Het kan de verleiding niet weerstaan keuzes te maken die haaks staan op  het bestaan zoals God het bedoeld heeft.  Maar ook onze keuzes en de gevolgen van onze keuzes laat God meewerken ten goede (37).

 

ad.3 Het doel van God met het bestaan was  om, na de vervulling van de opdracht, ons te laten eten van de boom des levens. D.w.z. het tijdelijke op te heffen en eeuwig leven te geven.

Hier kan het schepsel alleen voor zichzelf roet in het eten gooien. Dit door God niet in geloof te aanvaarden. En daarmee geen deel te (willen) hebben aan het volmaakte en gelukkige leven in eeuwigheid. God stevent echter onomkeerbaar op zijn doel af. Ook met de zonde van de mens, werkt God toe naar het in eeuwigheid met Hem leven op een zondeloze aarde.

Met of zonder God. Thats the choice

Vanaf het begin der schepping tot aan die eeuwigheid is de keus aan het schepsel: met of zonder God.

Licht of duister, Liefde of haat, Leven of dood.

Vrede of onrust, Vrij of gebonden, Vreugde of verdriet.

 Dit is voor veel mensen een moeilijke boodschap. Want er is nu ook met God veel duisternis, haat, dood, onrust, gebondenheid en verdriet. Maar het is zoals Jezus zei: Ik bid U niet Vader dat u ze uit de wereld wegneemt. Deze wereld van ellende, ziekte en verlies of dood van dierbaren. Maar Jezus vraagt zijn Vader of Hij zijn kinderen wil bewaren voor de boze, Joh.17:15. Dan wordt het duister licht, haat wordt liefde en de dood heeft dan niet het laatste woord.

Geloof het of niet.

Mozes hield de Israëlieten voor: “Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen. Het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht.”

En Jozua sloot daar bij aan: “Kiest dan heden, wie gij dienen zult. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen.”

 

Geloof is een keuze.

Het is niet eerst zien dan geloven.

Het is geloven en dan zien! (38)

Met of zonder God
Met of zonder God

-0-0-0-0-0-

Einde artikelen serie over de oorsprong


Noten:

(37) Denk aan het volk Israël dat God uit Egypte leidde. Ze hadden in een paar maanden in Kanaän kunnen aankomen. Door hun niet aflatende opstand tegen God wordt dat 40 jaar.  Twee zaken daarover:

  1. Gods plan was het volk naar het Beloofde land te brengen. Links om of rechtsom. God komt tot zijn doel. M.a.w. met of zonder onze zonde, God wijkt niet af van zijn oorspronkelijk plan en doel. De wijze waarop ligt aan onze keuzes. Daarom kan de weg ernaartoe langer en ellendiger worden, maar God blijft zichzelf trouw en ook aan zijn beloften aan ons.
  2. Die 40 jarige omweg in de woestijn gebruikt God wel. Het had niet gehoeven. Het volk had zich veel tijd en ellende kunnen besparen, maar voor God is het geen verloren tijd. Straftijd wordt relatietijd. Als eeuwen later het volk als natie ernstig afdwaalt, dan verlangt God terug naar deze tijd in de woestijn met zijn volk, Jeremia 2:2; 31:2-3; Hosea 2:13-14; 13:5; Amos 5:25.

Met andere woorden, satan kan nog zo zijn klauw door ons leven halen of wijzelf kunnen nog zulke foute keuzes maken, God maakt het daarna altijd mooier.

De gevolgen  worden in dit leven niet hersteld, maar in de gevolgen werkt God toch zijn plan weer mooier uit.

Je kunt dronken achter het stuur kruipen (foute keuze) en iemand doodrijden. Dat gevolg kun je niet herstellen, maar God kan wel  op een diepere manier tot zijn doel komen in jou en in het leven van nabestaanden.

De vraag is aan ons, laten we God daarin toe in ons leven. Want dan kan Hij komen met genezing en vergeving en dan jou op je plek brengen waartoe je bestemd bent.

(38) Zie bijvoorbeeld noot 2 van het artikel proloog: met of zonder God.

De oorsprong

De oorsprong

Onder deze titel “De oorsprong” wordt  ingegaan op bepaalde wetenschapsbeoefening.  Allerlei thema’s passeren de revue. De oerknal, met of zonder God, is de aarde oud of jong.

De oorsprong
De oorsprong
Genesis
Daarna wordt Genesis 1, 2 en 3 behandeld.
Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:
  1. Begrenst door het onbegrensde. (De eerste verzen van de Bijbel)
  2. Het (her-)scheppen.
  3. De schepping van Adam.
  4. De grote keuze van Adam.
  5. Terug naar de oorsprong door Adam de tweede.
  6. Epiloog: met of zonder God. That’s the choices.

 

Naar de volgende pagina waar we ingaan op de vraag: Is het een schepping met en door God of is het een ontstaan zonder God.

1.5.3 Het voorwaardelijk spreken van God

Tot nu heeft God onvoorwaardelijk gesproken. Zonder relatie aan te gaan. Hij sprak en het was; scheppend sprekend. Alle voorwaarden zijn nu onvoorwaardelijk aanwezig. Voorwaarden voor uitvoering van zijn plan om de aarde zijn Koninkrijk te maken. Maar vervolgens gaat om het voorwaardelijk spreken van God.

Het is het goede tonen en niet een fout herstellen

Natuurlijk had God in één slag satan kunnen vernietigen, maar in zijn  laatste doodssnik had satan dan kunnen zeggen: zie je wel, dat wat U schept is niet volmaakt en niet bereid in liefde voor U te kiezen. Kijk maar naar mij. Zo goed bent U helemaal niet. Bent U die alleen-goede God, waaruit alleen maar goede dingen voortkomen? Niet echt dus!

God creëert een schepsel gelijk aan satan. Een gelijke strijd – fair play! Met als doel te laten zien dat wat God schept goed is en bereid is altijd voor Hem te kiezen. En ook om in die weg  heel zijn schepping zijn Koninkrijk van Licht, Liefde en Leven te maken. Een weg van wandelen in Gods Geest in plaats van een weg van opstand en wandelen in het vlees – foul play.  Dat kan alleen door een creatie met een vrije wil. Daarom gebeurt het volgende.

Tot Genesis 2:4 spreekt de Schepper-God (Elohiem). Maar dan wordt het de Here God (JHWH Elohiem). 

Verbinding, relatie, Verbondsgod, JHWH, de Ik-ben-er
Het voorwaardelijk spreken van God
Het voorwaardelijk spreken van God

Hoe vreemd ook: verbinding betekent vrijheid, omdat het verbinding door relatie is. Vrijheid om voor die verbinding te kiezen.

God wil relatie en toont zich ook JHWH, de God die verbinding aangaat, en begint voorwaardelijk tot Adam te spreken. Geen monologe proclamatie, maar dialoge invitatie. Nu krijgt de mens de rol waarvoor hij geschapen was, nu krijgt hij inspraak. Hij mag inspreken op God. God wil in relatie tot de mens gebeden worden. Klop en Ik doe open. Vraag en Ik zal geven, maar ga relatie met Mij aan!

Een relatie waarin je uit liefde voor elkaar kiest.

De eerste vingeroefening die God de mens geeft om vrije keuzes te maken die tot eer van Hem zouden zijn, is door hem de dieren een naam te laten geven. God kijkt echt toe, vol blijdschap, hoe Adam dat doet.

God bracht de dieren tot de mens om te zien hoe deze hen noemen zou, . . . . . . . . . . Gen.2:19. 

De mens heeft mandaat om als koning te (gaan) heersen over de schepping. En God laat en respecteert de mens volledig in die rol en positie. Ga heersen over al het levende en ga de aarde onderwerpen, ga bouwen en bewaren, geef de dieren naar hun aard een naam.

Je kunt dat omdat Ik je naar mijn gelijkenis heb geschapen en volledig heb toegerust voor deze taak.

De mens heeft mandaat om nu keuzes te maken, hoe hij  de aarde weer onder Gods gezag gaat plaatsen(25).

– – – – – –

Een relatie van wederkerigheid vereist een vrije wil

Dat God nu een relatie aangaat van wederkerigheid waarin beiden uit vrije wil in liefde voor elkaar kiezen, laat ook het volgende zien.

Op de zesde dag zegt God namelijk, de dag overziende dat het goed was wat Hij die dag geschapen had. Op de zevende dag zegt God dit nogmaals van zijn hele schepping, alles overziende, het was zeer goed.

Wanneer de mens echter de dieren naar hun aard een naam heeft gegeven, ziet hij mannetjes en vrouwtjes naast elkaar als aparte levende wezens.

Maar voor zichzelf vond hij geen hulp tegenover hem (zijn spiegelbeeld) – net als hij – hem gelijkwaardig – die bij hem paste, Gen.2:20.

Hij krijgt daardoor het verlangen om ook als twee aparte levende wezens te zijn, een hulp apart. Niet in hem(26). Niet die totale vleselijke eenheid.

Dat wordt een relatie waarin je voor elkaar bewust moet kiezen. Geen vanzelfsprekende drie-eenheid van mannelijk, vrouwelijk en geestelijk.

Daar zit iets moois in, zeker als je bedenkt dat dat precies de manier is waarop God zijn relatie met de mens heeft ingericht, maar het is ook afstand nemen en steeds elkaar bewust moeten zoeken om de geestelijke eenheid te hebben.

En God, die had gezegd dat het goed was zoals Hij het had geschapen, omdat de mens in het zijn van een geestelijke drie-eenheid  optimaal was toegerust voor de geestelijke strijd, handhaaft de orde die Hij wilde met de mens: wederkerigheid. Daarom volgt God Adam in zijn ‘gemis’ en neemt Hij de conclusie van Adam over: het is niet goed dat de mens alleen is en voldoet vervolgens aan de wens van de mens.

Maar . . . . . na de ingreep, waarbij God het vrouwelijk component (rib) uit de mens wegneemt en tegenover hem plaatst, zegt Hij: maar je moet één vlees zijn, geen twee zoals Ik nu op je verzoek heb gemaakt.


Het feit dat God eerst tot tweemaal concludeert dat, zoals Hij de ene mens geschapen had zeer goed was

en vervolgens

zegt dat er  toch iets niet goed aan is

NAAST

de handeling van God de mens twee aparte vlezen te maken

en direct daarna

de uitspraak  dat zij één vlees dienen te zijn,

is volledig onbegrijpelijk als dit idee en initiatief bij God vandaan kwam.


God blijft trouw aan zijn scheppingsorde; aan de wijze waarop Hij met de mens wil omgaan. De mens heeft de vrije wil om te kiezen. Want alleen op die manier kan het een relatie zijn van wederkerige liefde en niet van liefde die niet anders kan dan liefhebben. Het gaat God om volmaakte liefde waarin je vrijwillig voor elkaar kiest omdat en op basis van het feit dat je werkelijk van de ander houdt. En niet omdat je niet anders kunt.

Naar de volgende pagina.


(25) Ef.6:12, 1Kor.2:6-8, 2Kor.4:4, Ef.2:2

(26) Waar Adam zijn vrouwelijk deel niet in hem, maar tegenover hem wilde, is het buitengewoon om te zien hoe wij alles verkrijgen juist als wij in Jezus zijn. De Bijbel gebruikt daar voortdurend de uitdrukking ‘in Hem’ voor, 1Kor.1:5, 2Kor.5:21, Ef.1:7-13, Kol.2:10. Een uitdrukking van totale eenheid die alleen kan in een persoonlijke relatie.

1.4.2 De zes scheppingsdagen

Herscheppen
de zes scheppingsdagen
de zes scheppingsdagen

Op de reeds bestaande aarde gaat God deze verwoeste aarde herinrichten.

Basis: Nadere inrichting:
1e dag Plaatst zijn licht 4e dag Maakt zon, maan en sterren
2e dag Maakt uitspansel 5e dag Schept vissen en vogels
3e dag Plaatst het droge 6e dag Maakt landdieren
3e dag Roept de flora 6e dag Schept de mens
Zes scheppingsdagen +

Dat het totaal van de schepping in zes dagen zou hebben plaatsgevonden is in tegenspraak met het feit dat op de eerste dag het licht werd gegeven en toch daarvoor de hemelen en de aarde waren geschapen. De verder omschreven scheppingsdagen veronderstellen ook een reeds aanwezige aarde.

Daarnaast zien we dat God nadat Hij op de zevende dag rustte, daarna verder gaat met inrichten. God neemt de geestelijke mens en vormt voor hem een lichaam van het stof van de aardbodem. Verder laat God daarna allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, Gen.2:7+9.

Met andere woorden: het totaal van scheppen en inrichten vond ook zowel voor als na de zes dagen van Genesis 1 plaats.

Dat de bijbel in Exodus zou vermelden dat de hemel en de aarde in zes dagen zijn geschapen, is onjuist omdat zowel in Exodus 20:11 als in 31:17 het werkwoord ‘maken’ staat. Dat gaat dus over de (her-) inrichting van de reeds geschapen hemel en aarde. Het staat er ook bij: de zee en al wat daar in is. Met ‘aarde’ wordt dus de landinrichting en met ‘hemel’ de luchtinrichting bedoeld. Het gaat hier niet over de schepping van het totale universum, maar over de hemel, aarde en zee; alles rond, op en in de aarde. Daarvan zegt ook Genesis 1 dat deze herschepping in zes dagen gebeurde(19a).

Deze zes dagen zijn derhalve voor een groot gedeelte herinrichting, herschepping van een eens bewoonbaar geschapen maar nu verwoeste aarde.

Naamgeving  = karakterisering

Opvallend is dat God alles een naam geeft behalve de flora en fauna. Later zegt God tegen de mens dat hij de dieren een naam mag gaan geven. Waarom niet genoemd de flora? De mens heeft ook de flora namen gegeven in de loop der tijd, maar wat betreft de dieren geeft God een speciale opdracht, geef ze een naam naar hun aard, typeer ze. Natuurlijk geldt ook voor de flora dat elke plant, bloem of boom uniek is, maar het zijn geen levende wezens zoals de dieren, die ‘karakter’ eigenschappen hebben. Het ging om de typering naar hun aard, de karakterisering, waarin de mens functioneerde naar het beeld en gelijkenis van God.

Gods Woord is daad, geen opdracht!

In deze zes dagen spreekt God onvoorwaardelijk. Hij spreekt en het is. Geen overleg met of opdracht aan wie dan ook. God schept. God is scheppend bezig. Zijn spreken zijn daden. Zijn gedachten werkelijkheid. Niet: de daad bij het woord voegend; zijn spreken is werkelijkheid. Hij sprak en het was. En nog steeds geldt: Hij spreekt en het is.

Behalve bij de mens. Dan staat er: “Laten Wij mensen maken”. Een rustmoment, alles overziende, een moment van overdenken, een voornemen en overleg. God overlegt dan hoe die mens zou moeten worden: “naar Zijn beeld, als Zijn gelijkenis(20) en hij moet kunnen heersen over al het geschapene”. En dan is het: zo gezegd, zo gedaan. “En zo schiep God de mens naar zijn beeld: mannelijk en vrouwelijk”(!!!) Het vrouwelijke en mannelijke, dat is dus naar het beeld van God! En het gelijkenis zijn van God is het kunnen heersen.

– – – – – –

Wanneer God de vissen, de vogels en de mens zegent met: weest vruchtbaar wordt talrijk en vervult de aarde, dan is dat geen opdracht, maar een scheppingsdaad. Dieren kunnen ook geen opdracht krijgen om die te gaan uitvoeren.

God legt de vruchtbaarheid en de mogelijkheid tot voortplanten scheppend in zijn creaties.

Waarom niet bij de landdieren? Het antwoord is impliciet reeds gegeven, deze waren ooit al geschapen en werden nu opnieuw door God levend gemaakt. De vissen en de vogels werden nu geschapen.

Naar de volgende pagina.


Noten:

(19a) Zes dagen van 24 hedendaagse uren. Mozes schrijft ongeveer 2500 jaar na dato na elke  dag, van dag één tot en met dag zes: “Het was avond en het was ochtend, de eerste / tweede / derde / vierde / vijfde / zesde dag.” Wanneer daar sprake zou zijn geweest van periodes, dan had Mozes dat zeker anders geformuleerd. Hij leefde in dagen van 24 uur en kende ook niet anders. Elke afwijking daarvan had hij zeker vermeld. En dat geldt voor alle zes dagen, omdat hij voor elke dag precies dezelfde woorden gebruikt: “Het was avond en het was morgen, de zoveelste dag.” Deze uitdrukking suggereert overigens ook dat een nieuwe dag pas op de morgen begon. Dit in tegenstelling zoals wij dagen indelen, maar ook in afwijking van de joodse wijze die een nieuwe dag na de avond laten beginnen. Het sluit wel aan bij onze biologische beleving: bij het ’s ochtends wakker worden, een nieuwe dag!

(20) Afgietsel. Gelijkenis betekent dus niet “gelijk aan”.

1.4 Het (her-)scheppen

We hebben tot nu toe gekeken naar het grensvlak van tijd en eeuwigheid, waarbij God zich openbaart als de Oneindige en Eeuwige, die van daaruit het eindige en tijdelijke schiep. Ook zagen we wat na het scheppen gebeurde door de opstand en val van Lucifer. Daarin vonden we een verklaring voor de duisternis en chaos op aarde. Maar we zagen ook hoe God de aarde niet verlaat en met Zijn Geest aanwezig is als een belofte van herstel.

Naar dat herstel van de aarde willen we in de volgende artikelen kijken. We ontdekten al dat de ons bekende zes scheppingsdagen eigenlijk een herstel operatie zijn. Geen scheppen, maar herscheppen.

het scheppen
Her – scheppen

De volgende onderwerpen komen aan de orde:

  1. De modus operandi en signatuur van God
  2. De zes scheppingsdagen.
  3. Wat zagen we tot nu toe.

Naar de volgende pagina.

1.4.3 Wat zagen we tot nu toe

Wat zagen we tot nu toe:

De meest plausibele verklaring voor de oorsprong van alles is dat de Eeuwige God  uit het niets de hemelen en de aarde schept(20a). Die aarde was bewoonbaar en bevatte flora en fauna. De aarde is daarna verwoest door de hoogmoed en val van Lucifer en zijn volgelingen. Het gevolg is dat de aarde een chaos is, in duisternis ligt en bedekt is met water. Petrus zegt daarvan dat de aarde was vergaan.

God heeft echter de aarde daarmee niet afgeschreven; Hij geeft de aarde niet op, zijn Geest zweeft als een belofte van nieuwe volmaaktheid over het oppervlak van de met water overdekte aarde.

 

Wat zagen we tot nu toe
Wat zagen we tot nu toe

God beveelt daar in die duisternis zijn Goddelijk licht.

God maakt in de kosmos een uitspansel wat er op die manier nog niet eerder was, dat scheiding maakt tussen water er boven en er onder, op de aarde. Vervolgens laat God het water op aarde samenvloeien zodat er land tevoorschijn komt. Door de hierdoor ontstane waterkoepel boven en om de aarde ontstaat een subtropisch niet aan seizoen onderhevig klimaat met een zeer hoog zuurstof gehalte. Een optimale leefomgeving voor dat wat God vervolgens schept, maakt en tevoorschijn roept; een paradijs.

Intermezzo

Dit verklaart ook de zeer hoge leeftijden die voor de zondvloed werden bereikt(21).  Bij de zondvloed breken de hemelsluizen open en verdwijnt die beschermende waterkoepel waardoor het leefklimaat op aarde vijandig werd. Daarom geeft God na de zondvloed de mens ook vlees te eten tot extra versterking, Gen.9:1-4.

(De vraag is of God hiermee aansluit bij de bestaande menselijke aard om te jagen en te doden of dat God ook feitelijk vanaf nu zelf toestemming geeft om te doden.) De mens wordt daardoor desondanks niet ouder dan 120 jaar. Als reden geeft God het feit dat de mens hoe langer hij leeft hoe zondiger hij kan worden. De zondvloed is dus niet alleen een kale straf voor de zonde en een wegvagen van een totaal verdorven geslacht, maar ook een definitief ingrijpen in de natuur door het weghalen van de beschermende waterkoepel om de aarde, waardoor de mens niet ouder kan worden dan 120 jaar.

 Herscheppen

Dan zegt God: laat de aarde de flora voortbrengen. Hij schept deze niet, Hij maakt de flora niet, Hij formeert niet. Hij zegt: aarde breng voort, laat de flora uitspruiten. Deze ligt blijkbaar al opgeslagen in de aarde en moet (weer) gaan uitspruiten. Of God heeft met het scheppen van de aarde al tegelijk alle kiemen in de aarde geschapen of de aarde was reeds zo ingericht voordat zij verwoest werd. Dit laatste komt dan overeen met de tekst uit Jesaja 45 dat Hij de aarde bewoonbaar had geschapen.

Het is dus heel goed mogelijk dat de aarde voordat zij woest en leeg werd een prachtige flora had, die God nu in Genesis 1:11-12 weer tevoorschijn roept: breng voort, spruit uit!

En mocht  de wetenschap ooit met echt bewijs komen (zie de pagina “De aarde: oud of jong. Who knows, who cares!”)  betreffende de tekortkomingen van het huidige bewijs)  dat gevonden fossielen van ooit levende wezens zoveel miljoen jaar oud zijn, dan is ook dat niet in tegenspraak met de Bijbel en heeft er dus op die oorspronkelijke aarde naast de flora ook fauna geleefd. In Gen.1:24 zegt God ook dat de aarde voortbrenge, uitspruit met levende wezens, vee en kruipend en wild gedierte. Ook die worden dus weer opnieuw tot aanzijn geroepen.

Catastrofe

Wel is het zo dat deze door God vervolgens gemaakt worden, Hij doet hen zijn. Of dat een aanpassing betekent een opnieuw ontwerpen of slechts tot leven roepen, laat ik in het midden. Dat kan verklaren waarom er zoveel fossielen worden gevonden van reeds ver voor 6000 jaar geleden uitgestorven dieren. God deed een aanpassing, niet elk dier riep Hij weer tot leven. Maar hierover zijn buitengewoon interessante inzichten waardoor het ook mogelijk is dat met de zondvloed deze dieren zijn uitgestorven. In ieder geval door een hen overvallende catastrofe. Daar is iedereen het wel over eens. Hetzij in de oertijd hetzij met de zondvloed.

Naar de volgende pagina.


Noten

(20a) Zie ook het artikel van David Sorensen:

De wetenschap bewijst dat God bestaat

(21) Als je gelooft wilt worden en alles wat je verder schrijft betrouwbaar wilt doen zijn dan moet je wel dingen opschrijven die niet onzinnig lijken. De enig logische reden dat de bijbelschrijver het over die extreem hoge leeftijden heeft, is omdat het waar was.

 

1.4.1 De modus operandi en signatuur van God

God schept, maakt, doet uitspruiten en formeert. 
de modus operandi en signatuur van God
uitspruiten en talloos gevarieerd
En hoewel oneindig in zijn creaties, laat Hij niets verloren gaan.

-0-0-0-

 

Zoals we al kort zagen in het artikel “De aarde: oud of of jong”, worden er verschillende werkwoorden gebruikt voor het beschrijven van het acteren van God zoals beschreven in Genesis 1. Werkwoorden met hun eigen betekenis. We zien dan het volgende:

 

God schiep (BARA)              (Scheppen: iets nieuws uit niets):
  • 1:1 de hemelen en de aarde
  • 2:3, 4 (hh) al het werk, de hemelen en de aarde (Hier wordt nog eens benadrukt dat het gaat om al het werk, dus het totale universum(17a))
  • 1:21 de grote zeedieren, alle levende water wezens, alle levende lucht wezens
  • 1:27 de mens, mannelijk en vrouwelijk
  • 5:1, 2 (hh) de mens, mannelijk en vrouwelijk

 

God maakte (ASAH)           (Makeniets nieuws uit iets):

1:7 het uitspansel

1:16 zon, maan en sterren(18)

1:25 het wild gedierte, vee, al het kruipende op de aarde

 

God riep tot uitspruiten (DASHA)           (Voortbrengeniets dat was, opnieuw doen zijn):

1:11 de flora: vegetatie, kruid, jong groen, zaadgevend gewas, vruchtbomen,

 

God sprak, laat er zijn (HAYAH):

1:3 licht (En het was er. Hij plaats zijn van eeuwigheid bestaand Goddelijk licht in de duisternis)

 

God formeerde(YATSAR)                   (Formeren: het reeds geschapene boetseren tot een vorm, bekleden met een lichaam tot een levend wezen; ziel):

2:7, 8 de mens van stof van de aarde, een Adam van en voor de Adamah.

2:19 landdieren en vogels, (door de formulering lijkt dit terug te verwijzen naar 1:21 en 25 waaruit zou blijken dat de vogels wel oorspronkelijk geschapen zijn, maar vervolgens wel van het stof van de aarde zijn gemaakt. De landdieren werden direct al van bestaande materie gemaakt, waaruit blijkt dat het ‘maken’ en ‘formeren’ dezelfde handeling is, namelijk van materie van de aarde maken/vormen.)

Hoe prachtig sluit hierbij aan het beeld dat God zelf schetst, wanneer Hij spreekt over de Boetseerder en zijn maaksel(19).

 

Naar de volgende pagina.

Of terug naar pagina “De aarde: oud of jong. Who knows, who cares!”


Noten

(17) Hiermee wordt de mogelijkheid tot voortdurende, ‘voortrollende’, voortplanting bedoeld. En niet de in kaart gebrachte plaats van planeten tijdens iemands geboorte.

(17a) Dit in tegenstelling tot Exodus 20:11 en  31:17 waar het werkwoord ‘maken’ staat. Het gaat hier niet over de schepping van het totale universum, maar over de hemel, aarde en zee; alles rond, op en in de aarde. Het staat er ook bij: de zee en al wat daar in is. Met ‘aarde’ wordt dus de landinrichting en met ‘hemel’ de luchtinrichting rond de aarde bedoeld. 

(18) De kosmos was er, geschapen in vers 1, maar nu geeft God de zon, maan en sterren een specifieke plaats en hangt zijn Goddelijk licht aan hen op om een specifieke manier de aarde te beschijnen en zo vaste tijden, seizoenen te laten zijn. Dit is slechts voor de tijd. Op het moment dat alles vervuld is en de tijd wordt opgeheven zal er geen zon of maan meer zijn die het Goddelijk licht voor ons dragen, dan zal God zelf ons weer verlichten, Op.21:23; 22:5.

Dit kan ook verklaren waarom het licht van sterren die miljoenen lichtjaren van ons verwijderd zijn, ons nu toch al bereikt. Daar zijn geen miljoenen lichtjaren voor nodig. Gods eeuwig alomtegenwoordig licht hing Hij op aan de sterren.

(19) Jesaja 29:16, Romeinen 9:20. Of ook het beeld van de pottenbakker in Jeremia 18.