1.5.2 Het onvoorwaardelijk spreken van God

Onvoorwaardelijk; geen inspraak of opdracht, maar spreken en het is zo: Scheppen!
 Een bijna aan God gelijke creatie

Psalm 8 zegt dat God de mens bijna goddelijk heeft gemaakt en dat dit uitkomt in het kunnen heersen over al het geschapene. Naar geest en eigenschappen lijkt de mens sprekend op God.

Het onvoorwaardelijk spreken van God
Het onvoorwaardelijk spreken van God

Het is nog steeds onvoorwaardelijk spreken, een scheppingsdaad. God legt deze mogelijkheden scheppend in de mens. Geen opdracht, maar creatie. (om het nog maar duidelijker te zeggen: geen opdracht tot vermenigvuldigen, maar de mogelijkheid tot . . .)

De opdrachten komen nog: wanneer God in relatie voorwaardelijk gaat spreken met de mens: bebouw en bewaar de aarde. Ik heb je ervoor geëquipeerd.

Bijna klaar

Nou, nog niet helemaal. Je bent naar mijn beeld, je lijkt op Mij, je bent geest en één. Je hebt mijn eigenschappen. Je bent toegerust voor de geestelijke kant van de zaak. Alleen in die geestelijke eenheid kun je de geestelijke duisternis en verdeeldheid, de woest en leegheid, de heerschappij van satan, onderwerpen en zelf gaan heersen zoals Ik het heb bedoeld. . . . .

Maar . . . . om de aarde (ADAMAH) te kunnen bewerken was een levend lichaam nodig, een mens(ADAM) van de materie van die aarde, fysiek, een levend wezen (leNÈFESJ CHAJJAH)(22).

Na de sabbat gaat God dan ook verder met inrichten. Het scheppingswerk was in die zes dagen nog niet klaar. Het scheppen was klaar, maar het formeren, maken en tot aanzijn roepen nog niet.

God had de flora tot aanzijn geroepen, maar ze was nog niet uitgelopen, omdat het nog niet had geregend. En er was ook geen fysieke mens om het vervolgens te bewerken, de aarde te dienen, te cultiveren. Daarom neemt God de geestelijke mens en vormt een lichaam van de materie van de aarde en blaast daar de levensadem in. Op veel plaatsen in de bijbel staat levensadem synoniem voor de geest, Job 4:9; 26:4; 27:3; 32:8; 33:4; 37:10; Psalm 18:15; Spreuken 20:27; Jesaja 30:33; 42:5; 57:16.(23)

Door in het nu gevormde lichaam de geest van de mens te plaatsen wordt deze tot een levende ziel. Vanaf nu is de mens geest, ziel en lichaam, zowel geschikt voor de geestelijke strijd als voor het bewerken van de aarde. Nog steeds een mannelijke en vrouwelijke eenheid(24). Want alleen in die volmaakte geestelijke en nu ook lichamelijke eenheid kan deze mens doen wat God van hem vraagt. God heeft een plan met de verwoeste aarde en daarvoor maakt Hij een geschikte creatie die dat plan kan uitvoeren en zo tot zijn doel te komen met de aarde: opnieuw zijn Koninkrijk van licht en leven vestigen.

Nu is God klaar, althans . . . , het is nu voldoende ingericht zodat de mens verder kan met het ontwikkelen van alles wat God in de schepping had gelegd. Nog niet alles is zichtbaar. Er zijn nog oneindig veel mogelijkheden die de mens mag gaan ontdekken, ontwikkelen, exploreren om vervolgens te exploiteren.

Het is dan ook tot de eer van God dat er zoveel wordt ontdekt en ontwikkeld door de nieuwsgierigheid en inventiviteit van de mens. Misschien is ook dat wel een reden dat God nog wacht met het definitieve herstel van de aarde. Eerst moeten alle door Hem geschapen mogelijkheden die opgeslagen liggen in de schepping ontdekt zijn.

Naar de volgende pagina.


Noten

(22) Een nèfesj chajjah, precies zoals ook de dieren worden genoemd: levende wezens (Gen.1:20, 21, 24, 30). In zijn fysieke lichaam is de mens dus gelijk aan de dieren. Echter met dit verschil, dat God in dit vleselijk lichaam de geest van de mens blaast (Gen.2:7).

(23) Dat de geest van de mens niet slechts bestaat bij de gratie van de chemische fabriek die wij hersenen noemen en wij alleen maar ons brein zouden zijn, bewijst wel de vele gevallen dat mensen klinisch dood waren, geen enkele hersen activiteit vertoonden, en toch waarnemingen deden. Dat laat onverlet dat de geest wel onder invloed staat van wat in en met de hersenen gebeurt. Door medicijn gebruikt ontstaat er zelfs karakter verandering. Maar wanneer de geest los komt van het lichaam, blijkt deze als zichzelf, met dezelfde identiteit, waarnemingen te doen.

(24) De al direct geschapen mogelijkheid tot voortplanting zal misschien een vorm van parthenogenese zijn geweest.

2 gedachten over “1.5.2 Het onvoorwaardelijk spreken van God”

  1. Mooie stukken heb ik gelezen op uw internet site! Soms ook nieuw voor mij.
    Ik heb een vraag over het volgende stuk: ‘Het is één mens die mannelijk en vrouwelijk is naar het beeld en de gelijkenis van God: geest. Meervoud en toch enkelvoud: naar het beeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen’.
    Na Gen. 1: 27 staat er in vers 28 toch gewoon God zegende hen en zei: “Vermenigvuldig je, bevolk de aarde.
    Dan lijkt het hiet m.i. toch echt te gaan om man en vrouw, 2 personen!

    1. Dag Albert, dank voor je reactie. Fijn dat je je er in verdiept.
      Ingaande op wat je zegt: en toch wordt Eva pas in Gen.2:21 geschapen. Tot die tijd was er één mens. En tegen die ene mens zegt God onder andere vermenigvuldig je.
      God schept voor die ene mens toch de mogelijkheid om zich voort te planten. Wij kunnen ons dat niet zo goed voorstellen hoe dat zal zijn geweest, maar in de dierenwereld komt dit toch voor, dat een enkel dier zichzelf kan voortplanten. Dus zo vreemd is het nu ook weer niet. Zie noot 24.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Comment moderation is enabled. Your comment may take some time to appear.

Een wandeling door mijn gedachten over Bijbelse thema's